Luchtdruk

Home

  1. Materiaal

  2. Regels

  3. Werkwijze

  4. Opdrachtenblad

  5. Invulblad

  6. Correctiesleutel


1. Materiaal

Een glas.
Water uit de emmer vooraan in de klas.
Stukje karton.
Teiltje.
Zuigrietje.
Gekleurd water in de tweede emmer vooraan.
Kaars.
Lucifers.
Bokaal.
Krantenpapier.
Handdoek.
Dweil.

2. Regels

Kijk met de materiaallijst of alle spullen in de doos zitten. Is er iets weg? Zeg dat dan aan de leerkracht.
Doe na gebruik alle spullen weer in de doos. Zorg ervoor dat de bokalen afgedroogd zijn. Kijk met de materiaallijst of alle spullen er weer in zitten.

Voorzichtig met glaswerk, werk niet aan de rand van de tafel. Probeer de tafel en de grond droog te houden, gebruik daarvoor de dweil, leg die op de tafel en werk daarop. Indien er toch iets fout gaat, veeg de glasscherven dan grondig op.

3. Werkwijze

Lees aandachtig de regels die jullie moeten naleven.

Neem nu de opdrachtenkaart.
Maak alle opdrachten.

Ben je hiermee klaar, dan neem je je groene balpen en het correctieblad.
Als jullie antwoorden ongeveer gelijk zijn hoef je niet te verbeteren.
Bij twijfel: haal de juffrouw erbij.

Als je hiermee klaar bent ruim je alles netjes terug op.
Je droogt ook alles goed af.

4. Opdrachtenblad

Opwaartse luchtdruk

1. Je neemt het glas en de teil. Je houdt het glas boven het teiltje. Het glas giet je vol met water en daarna dek je het af met een bierviltje. Je draait het glas om terwijl je het stukje karton vast blijft houden. Pas als het glas horizontaal hangt, wordt het karton losgelaten.
Wat neem je waar?

2. Je neemt het zuigrietje en werkt weer boven het teiltje. Je vult een glas met water.
Je plaatst het rietje in het glas met water. Voor we het rietje terug uit het water halen houden we onze vinger op de bovenkant van het rietje. Zo halen we het rietje uit het water.
Wat neem je waar?

Neerwaartse luchtdruk.

3. Je plaatst water in het teiltje. Je neemt de bokaal, de kaars en de lucifers.
Je plaatst de kaars in het teiltje met water. Je zet de bokaal over de kaars. Wat neem je waar?

4. Je haalt de bokaal terug van de kaars en steekt de kaars aan. Je plaatst opnieuw de bokaal over de kaars.
Wat neem je waar?

Zijwaartse luchtdruk.

5. Je neemt het krantenpapier uit de doos.
Je vouwt het open.
Sta recht en hou het krantenpapier tegen je buik.
Laat het los.
Wat gebeurt er?

6. Hou het nu opnieuw tegen je buik, wandel voorwaarts en laat het los.
Wat merk je nu?

5. Invulblad

1. Het glas giet je vol met water en daarna dek je het af met een stukje karton. Je draait het glas om terwijl je het karton vast blijft houden. Pas als het glas horizontaal hangt, wordt het karton losgelaten.Wat neem je waar?
.............................................................

2.Je plaatst het rietje in het glas met water. Voor we het rietje terug uit het water halen houden we onze vinger op de bovenkant van het rietje. Zo halen we het rietje uit het water.Wat neem je waar?
.............................................................

3.Je plaatst de kaars in het teiltje met water. Je zet de bokaal over de kaars. Wat neem je waar?
.............................................................

4. Je haalt de bokaal terug van de kaars en steekt de kaars aan. Je plaatst opnieuw de bokaal over de kaars.Wat neem je waar?
.............................................................

5.Sta recht en hou het krantenpapier tegen je buik. Laat het los.Wat gebeurt er?
.............................................................

6. Hou het nu opnieuw tegen je buik, wandel voorwaarts en laat het los.
Wat merk je nu?
.............................................................

6. Correctiesleutel

1. Het stukje karton blijft aan het glas hangen, er loopt geen water uit het glas.

2. Het water blijft in het rietje ook wanneer het rietje niet meer in het glas zit.

Verklaring: de lucht drukt opwaarts op het bierviltje en op het water in het rietje.
Toepassing: een wastafelzuiger (een ontstopper)

3. Niets.

4. De kaars gaat uit en het water stijgt in de bokaal.

Verklaring: de lucht drukt neerwaarts op het water buiten de bokaal.
Toepassing: de druppelteller.

5. Het valt naar beneden op de grond.

6. Het blijft tegen je buik kleven.

Verklaring: de lucht drukt ook zijwaarts op het krantenpapier en zo blijft het op je buik kleven.